Psychotherapie aan dove en slechthorende personen

Lies De Greef, Prof. Bachelor Toegepaste Psychologie, tolk Vlaamse Gebarentaal en psychotherapeut i.o. aan de AIHP te Antwerpen, werkt in haar praktijk ook met dove en slechthorende personen. Dat dit een aparte benadering vraagt, hoeft geen betoog. Graag deelt zij met ons haar ervaringen.

Hoe anders is psychotherapie aan dove en slechthorende personen?

Ik schrijf dit artikel uit mijn ervaring als therapeut met diploma tolk Vlaamse Gebarentaal (VGT) werkzaam in een privé praktijk. Wat inhoud dat mijn neerslag hier niet eenduidig of volledig is. In dit artikel gaan we er van uit dat ik als gebarentalige therapeut geen gebruik maak van een tolk. Indien dit zich wel voordoet, dan dienen er enkele andere aandachtspunten vermeld te worden in functie van het verlies van contextinformatie, wat ons hier te ver zou lijden. Alle uitspraken, toelichtingen en verklaringen zijn gebaseerd op eigen ervaring en vallen daarom ook niet te veralgemenen naar de totale dove populatie. Ze in het achterhoofd houden bij elke therapie aan een doof persoon geeft wel enkele handvaten.

Eerst en vooral moeten we de populatie van dove personen in Vlaanderen als zeer verscheiden en als kleine culturele- en taalminderheid zien. Werd de persoon doof geboren of doof op latere leeftijd groeide hij op met VGT of voornamelijk met een orale taal. Is de Vlaamse gebarentaal zijn moedertaal of een andere, gebruikt hij een implantaat een hoorapparaat of niets. Kan de cliënt begrijpend lezen of niet, … .

We vertrekken vanuit intercultureel werken, wat uiteraard kennis van deze variaties in cultuur vraagt van de therapeut. Maar het bezit van kennis alleen is niet voldoende of niet enkel de verantwoordelijkheid van de therapeut. Daarnaast spreken we over een taalminderheid. Een taal die niet mijn moedertaal is, nog voor alle dove personen dezelfde is. Wat impliceert dat je als therapeut alert dient te zijn dat niet elke dove cliënt dezelfde taalvorm hanteert en dat geschreven tekst niet vanzelfsprekend begrepen wordt.

Extra focus binnen therapie aan dove personen.

Bij de start van de therapie dient het verwachtingspatroon, kennis over therapie en vroegere hulpverleningservaring expliciet geëxploreerd te worden. Uiteraard doen we dit ook bij onze horende cliënten, doch dient er bij deze doelgroep intensiever en langer aandacht naar te gaan. Chough (1983) spreekt over ’the trust-mistrust phenomenon between deaf and hearing persons’ (in Harvey, 2003).

Je rol als therapeut mooi afbakenen is bij deze doelgroep niet altijd zo vanzelfsprekend. Als tolk VGT kom je cliënten ook tegen op activiteiten van dovenclubs, je kent de mensen waarover ze in therapie vertellen en door je rol als tolk gebeurt het ook dat je met hen dient samen te werken of voor hen te tolken. Deze mogelijkheden vragen zeer duidelijke afspraken over de grens wat therapie wel en niet kan zijn en wat beroepsgeheim inhoudt.

Er kan ook automatisch een negatieve tegenoverdracht ontstaan. Slechte ervaringen met horende hulpverleners en de emancipatorische strijd ten gevolge van jaren onderdrukking door de horende wereld, spelen hierin ook een rol. Maar ook overschatting of idealisatie van de therapeut is een vaak voorkomend gegeven, ontstaan uit het idee dat horende alles weten en superieur zijn aan henzelf. Opnieuw enkele thema’s die extra aandacht vragen om samen te bespreken. Niet vanuit een probleem dat de therapeut zou ervaren of een fout wereldbeeld van de dove cliënt. Wel zodat het verloop van de therapie stoelt op een gezamenlijke werkovereenkomst waarbij elkaars wereldbeeld en verwachtingspatroon eerst verkend wordt. De houding, de attitude die de therapeut uitstraalt over doven, dovencultuur en gebarentaal zal mee invloed hebben op wat er al dan niet over moeilijkere thema’s kan gezegd worden.

Uit eigen ervaring vraag ik me soms af of doven elkaar niet meer kunnen helpen dan tijdens een individuele therapie. Als deel van een meerderheidsgroep met kennis over de minderheidsgroep kan ik me deels inleven in hun ervaringen. Je vertrekt daarbij ook vanuit het verhaal van de cliënt en gaat samen op zoek naar de aanwezige krachten in de cliënt en zijn context. Als horende therapeut zal je echter nooit echt voelen en begrijpen wat dagdagelijkse moeilijkheden met een doof persoon kunnen doen. Neem nu het thema “wat kan ik doen tegen de overdreven inmenging van mijn horende ouders in mijn leven als 40-jarige?” Zou hierbij contact met lotgenoten, het gebruik van je steunende en betekenis gevende netwerk, rond deze specifieke thema’s niet meer een blijvende impact hebben dan hierrond te werken in een 1 op 1 relatie? 

Andere communicatie in de therapieruimte dan jouw moedertaal.

Therapie geven in een taal waarin het moeilijker is om kleine nuances te leggen is niet vanzelfsprekend. Vaak zoek je dan naar alternatieven waardoor je taal gaat vereenvoudigen en dus ook je cliënt niet prikkelt om anders of dieper te gaan nadenken. Daarbij merk ik dat mijn innerlijke dialoog veel harder moet werken. Mijn eerste doel is echt te begrijpen wat mijn cliënt met zijn taal vertelt. Heb ik de gebaren correct begrepen?

Nadien komt dan het proces om het inhoudelijke luik van de communicatie te begrijpen en hierop te anticiperen met een gepaste therapeutische interventie. Een proces dat elke therapeut voert, maar ik merk dat dit me bij dove cliënten meer concentratie vraagt. Regelmatig parafraseren of jezelf de tijd geven om na te denken, om te vertragen dus, is hierbij essentieel.

Bij het intakegesprek betekend dit ook de communicatievorm van je cliënt goed bevragen. Gebruikt hij VGT of Nederlands met Gebaren (NmG), gebruikt hij stem en gebaren tezamen, welke variant van VGT is er gekend, … Je als therapeut hier op afstemmen is een evidentie in elke therapeutische relatie, maar vraagt bij deze doelgroep een bewuster stilstaan. Een visuele communicatievorm houdt in dat informatie sequentieel/tezamen kan gegeven worden. Dit vraagt, opnieuw, extra aandacht van de therapeut en een duidelijk aftoetsen of je alles hebt begrepen. Ook wanneer je als therapeut aan het woord bent is dit een aandachtspunt. Het begrijpen van elkaars communicatiewijze is een gedeelde verantwoordelijkheid. De vraag of je cliënt het begreep legt de verantwoordelijkheid eenzijdig bij de cliënt. Een betere vraag luidt dan “Is het duidelijk voor jou?” wat een gedeelde verantwoordelijkheid aantoont.

Noden en verwachtingen van therapie

Dit kan zeer anders zijn dan bij horende cliënten, de verklaring hiervoor vraagt eerst een woordje uitleg.

Wanneer een persoon doof geboren wordt of op jonge leeftijd doof wordt, dan verloopt hun sociale ontwikkeling zeer anders dan bij horende personen. Voor de meerderheidsgroep in onze maatschappij leren we gepast sociaal gedrag onbewust. Wanneer volwassenen of leeftijdsgenoten in interactie gaan pikt een kind dingen op. Welk gedrag past er het beste in welke situatie; hoe worden emoties geuit, benoemd en op gereageerd. Hoe bouw je vriendschappen en relaties op. Welke gedragingen en uitspraken worden wanneer, door wie en op welke manier niet geaccepteerd of juist wel, … . Aangezien dove personen leven in een voornamelijk horende wereld krijgen zij minder de kans om dit te leren. Vaak weten horende opvoeders niet hoe ze dit expliciet moeten aanleren en verzint het dove kind zelf zijn verklaringen en zijn sociaal gedrag dat hier uit voortkomt. Door dit gemis aan verklaringen voor de dingen die ze zien en aanvoelen, ontwikkelen ze sterke visuele vaardigheden. Elke minieme verandering in iemands mimiek of lichaamshouding wordt opgemerkt. Maar daarom niet altijd correct geïnterpreteerd. Hieruit vloeit voort dat dove personen, voor de horende populatie, nogal zwart-wit en rechtuit kunnen overkomen. Bijvoorbeeld wanneer wij vermoeden dat iemands gewicht is toegenomen zullen we dit niet rechtstreeks tegen deze persoon vertellen. Voor een doof persoon is het niet vreemd om dit als eerste opmerking in het gesprek aan te brengen.

Daarnaast zien we dat metacommunicatie, toekomstig denken of zich een ander levensverloop voorstellen, niet vanzelfsprekend is bij deze doelgroep. Vragen worden meestal zeer exact begrepen en enkel mogelijk te beantwoorden wanneer we vanuit concrete situaties onze interventies doen. Dit vraagt een andere manier van therapie geven.

De basishouding van echtheid, empathie, parafraseren, actief luisteren is uiteraard ook bij deze doelgroep van kracht.

Voorts dient men als therapeut zijn rol soms wat te herzien of soepeler mee om te gaan. Een doof persoon komt gemakkelijker met concrete verwachtingen rond concrete vragen of moeilijke situaties in hun leven. Bijvoorbeeld een sessie met de dove cliënt is afgelopen waarbij we voornamelijk rond de verstikkende inmenging van de ouders werkten, we nemen afscheid en de cliënt stapt buiten. Enkele tellen later komt deze terug binnen met de vraag hoe ik het zou aanpakken om aan vader uit te leggen dat ze een nieuwe auto aankocht en nu moet vertellen dat haar vorige auto die ze van hem cadeau kreeg niet meer zal gebruikt worden. Hoe je op dit moment kan reageren daar bestaat geen eenduidig script voor. Blijf je als therapeut aangeven dat jij hierop het antwoord niet weet en we dit in de volgende sessie kunnen bespreken, geeft vaak geen oplossing. Je cliënt verwacht van jou, de alleswetende horende therapeut die ze moeten betalen, een duidelijk, meteen te gebruiken antwoord.

Het therapeutisch proces afwerken

Ook dit kan anders verlopen dan wat we gewoon zijn als therapeut. Het diagnostisch proces van vraagverduidelijking, probleem- en verklaringsanalyse en tot slot indicatie analyse, kan hier niet altijd mooi toegepast worden. Een doof persoon komt gemakkelijker in therapie met concrete ad hoc vragen. Als therapeut zie je vaak een vast patroon in hun leven, thema’s waar ze blijven tegenaan lopen. Om dit tijdens de therapie te adresseren en een proces in aan te gaan, is geen evidentie. Wanneer de dove persoon het gevoel heeft, weer even verder te kunnen dan beslissen ze zelf om de therapie te stoppen. Ook voor dit thema dient bij de start van het proces hier extra aandacht aan gegeven worden.

Tot slot kan ik enkel vertellen dat deze doelgroep lang aan de zijkant werd gezet en hun emancipatorisch proces nog volop aan de gang is. Wat ook inhoudt dat onderzoek naar hun taal en cultuur nog in de kinderschoenen staat. Daarom hoop ik dat er door dit artikel op termijn wetenschappelijk onderzoek zal gebeuren naar de processen binnen de geestelijke gezondheid voor doven en slechthorende personen.

Lies De Greef – VITAL – Kerkstraat 21 – 2845 Boom – 0474/821316 – 03/8881877

lies@revalidatie-vital.be – www.psychologievital.com